Giddy up!

Giddy up!En nu ben ik weer een echte beginner.  Te paard. Afgelopen verjaardag, de 41e, nam ik mijn eerste les.  En het is geweldig. 

Het oorspronkelijke idee was mijn natuurlijk leiderschap te versterken.  Ze zeggen, ik hoor het keer op keer, dat je je paard niet mag laten wegkomen met het niet opvolgen van je commando’s.  Consistent, maar vooral duidelijk moet je zijn.  Dat vereist een fysieke controle waar een bekwaam yogi jaloers op kan zijn.  Ter aansporing, om de vaart er in te krijgen, kuiten en voeten kort om de buik van het paard klemmen.  Niet te zacht, maar schoppen (wat ik aardig vaak zie gebeuren) kan toch ook niet de bedoeling zijn.  Terwijl je je bekken laat meedeinen op de cadans, het bovenlichaam blijven ontspannen, doch wel van schouder tot heup tot enkels in een mooie verticale lijn.  Elke spanning in het lichaam van de ruiter geeft in principe signalen over harder, zachter en richting.  Sneu is dan ook dat bij gespannen onderarmen de teugels bij het stappen, draven of galopperen onbedoeld, door het ritme van de verplaatsing aangetrokken worden en daarmee het bit –kata-klop-kata-klop-kata-klop—  dieper-losser-dieper-losser-dieper in de mond van het paard getrokken wordt.  Onprettig voor het paard, maar ook verwarrend, druk op de teugels betekent vaart minderen.  Terwijl de benen van de ruiter zeggen: harder.

En dus, na een minuut of vijftien, denkt het paard er het zijne van.  Wil alleen nog (net niet) op “de hoefslag” (de uiterste rand van “de bak” of rijbaan), bochten slordig afsnijdend in langzame stap.  Niet harder, niet in draf, en niet een mooi figuurtje rijden.  Het blijft voorlopig ingewikkeld

Mensen verschillen in de manier waarop ze met fouten omgaan.  Met Edwin van Hooft, Dick de Gilder en Lilian Liesveld onderzocht ik een aantal jaar geleden wat constructief is en wat minder goed werkt.  Cruciaal bleken de doelen die mensen stellen wanneer ze werken aan een (nu nog te) moeilijke taak.

Sommige mensen willen vooral aan anderen laten zien dat ze het best kunnen. Anderen willen vooral voorkomen dat hun omgeving denkt dat ze incompetent zijn. Beiden hebben zogenaamde prestatiedoelen, de eerste gericht op bewijs van kunnen, de tweede erop gericht niet ondeskundig over te komen. Met name de laatsten zijn bang fouten te maken. Als dat toch gebeurt raken ze gespannen en ontkennen ze verantwoordelijkheid.

Maar er zijn ook mensen met zogenaamde leerdoelen. Zij zijn vooral bezig met wat ze nog kunnen leren, opsteken, verbeteren. Dat ze tijdens het leerproces misschien fouten maken verontrust ze niet al te erg. Ze nemen verantwoordelijkheid en zijn vooral gericht op manieren om fouten te corrigeren en hoe ze zo goed mogelijk verder kunnen met de taak.

De afgelopen vijftien jaar onderzoek, onderwijs en advies hebben me overtuigd.  Voor het leren van nieuwe vaardigheden zijn fouten van onschatbare waarde.  Stel jezelf leerdoelen, en alleen bij tests, examens en op andere kritieke momenten prestatiedoelen.

Al ben ik als ruiter nog niet daadkrachtig, overtuigend en consistent, het paard is dat wel.  En zo wordt elke fout mijnerzijds beloond met tegendraads gedrag.  Met duidelijke en overtuigende feedback.  Enneh, rijd ik inmiddels in een niet onaardige draf de “grote volte”.  En galop–Woohee! Giddy up!

Plaats een reactie